|
|
|

|
| |
Diagnose (opsporen) van de ziekte.
Naar aanleiding van de symptomen, verzamelt de uroloog algemene
gegevens over de gezondheid van de patiënt en voert hij/ zij een
lichamelijk onderzoek uit. Om een blaastumor vast te stellen is in de regel
een onderzoek nodig waarbij de arts direct in de urineblaas kan kijken; dit
onderzoek heet een cystoscopie.
Het kan polikinisch gebeuren met een
verdovende gel in de urethra (plasbuis). Ook kan urine worden onderzocht
op de aanwezigheid van afwijkende, mogelijk kwaadaardige cellen (urinecytologie).
Als het onderzoek een tumor doet vermoeden, volgt
een chirurgische verwijdering, een zogenaamde Trans Urethrale Resectie
van de blaasTumor (TURT). Hiermee wordt weefsel verkregen voor onderzoek
om de aard van de tumor te weten te komen en de mate waarin hij in de
diepte van de blaaswand is gedrongen (het stadium).
Deze ingreep dient niet alleen als onderzoek maar vormt ook een ondedeel van de behandeling: hieop komen we later terug.
De arts kan daarnaast
ook andere onderzoeken voorstellen, onder meer
beeldvormingsonderzoeken als CT, MRI, echo-onderzoek of een rőntgenonderzoek van de urinewegen (IVP).
Voorbereiding op de behandeling
Als u geconfronteerd wordt met de ziekte oppervlakkige blaaskanker mag
u verwachten als volwaardige partner beschouwd te worden in de
beslissingen over de behandeling. Maar daarvoor is het van belang goed
geïnformeerd te zijn. Er is veel informatie beschikbaar over blaastumoren
en de behandelingsmogelijkheden. Deze folder is daar een voorbeeld van,
maar wij raden u aan ook uw arts naar informatie te vragen.
Het is normaal dat men zich in deze situatie bang en gespannen voelt,
en de steun van familie en dierbaren is dan erg belangrijk. Samen met hen
kunt u een lijstje maakt van alle vragen die u bezighouden voordat u
opnieuw met de arts praat. U kunt zich daarnaast laten vergezellen door
een dierbare tijdens het bezoek aan uw arts.
Behandelingsmethoden
De behandeling van blaastumoren omvat twee delen:
a. De volledige chirurgische verwijdering van de tumor of tumoren (TURT)
onder gedeeltelijke of algehele verdoving. Dit gebeurt via de urethra (plasbuis).
In geval van een groot aantal poliepen moet de arts misschien meerdere
operaties uitvoeren om alle tumoren te verwijderen.
Direct na de operatie wordt, afhankelijk van de bevindingen, voorgesteld een eenmalige spoeling
met een celdodende (chemotherapeutische) stof te geven, om tumorcellen
die tijdens de operatie mogelijk niet zijn verwijderd of die een sterk
kwaadaardig potentieel hebben te vernietigen.
b. Nadat het type van de tumor en de kans op herhaling bepaald zijn,
wordt bepaald of een aanvullende behandeling nodig is om de kans op
herhaling te verkleinen door de blaas te spoelen met chemotherapeutische
of biologisch actieve middelen (instillatie of blaasspoeling).
Chemotherapeutische blaasspoelingen zijn middelen die ter plaatse (in de
blaas) beginnende kankercellen kunnen doden. Biologisch actieve middelen,
zoals BCG (een middel wat gebruik maakt van een tuberculosevaccin))
zijn bedoeld om een lichaamseigen reactie van het blaasslijmvlies uit te
lokken die beginnende tumorcellen zal vernietigen.
De arts bepaalt het type van behandeling op basis van de gegevens over
de tumor samen met de toestand van de patiënt. Indien er verscheidene
behandelingsopties zijn, maakt de arts samen met de patiënt een keuze.
|
|
| |